INTEGRATIE VAN KENNISGEBIEDEN (BIG IDEAS)
1.GEÏNTEGREERDE KENNISGEBIEDEN IN DIT ONDERWERP
Ik integreer de volgende 3 kennisgebieden in mijn ontwerp: Taalverwerving, Muziek en Ontwikkelingspsychologie.
Met betrekking tot de taalverwerving richt ik me op de differentiatie- en de voltooiingfase en daarbij beperk ik me tot de fonologische ontwikkeling (Schaerlaekens & Gillis, 1987). Binnen de fonologische ontwikkeling is het van belang om onderscheid te maken tussen fonologische kennis of bewustzijn en fonemische kennis of bewustzijn. Fonologisch kennis is bewustzijn van fonologische eenheden groter dan het foneem (bijvoorbeeld rijmen of begin en einddelen van woorden). Fonemische kennis is bewustzijn van de kleinste betekenisonderscheidende eenheid van een woord (bijvoorbeeld horen dat de eerste letter van het woord reus met een /r/ begint (Braams & Bosman, 2000). Dit onderscheid is niet direct terug te zien in de leerlijnen van De Meule. Daar wordt alleen gesproken over fonemisch bewustzijn. Indirect is de oefening van het fonologisch bewustzijn wel terug te vinden in het oefenen van de vaardigheden om de tussendoelen, die gekoppeld zijn aan de leerlijnen, te bereiken. In de kerndoelen zoals deze zijn vastgelegd door het SLO en Tule wordt dit onderscheid wel gemaakt. Ook in de literatuur en onderzoeksrapporten met betrekking tot dit onderwerp, wordt duidelijk over het verschil tussen beiden gesproken. Daarom maak ik in mijn ontwerp eveneens deze onderscheiding.
Met betrekking tot de leerpsychologische ontwikkeling ga ik uit van het gedachtegoed van Vervaet. Vervaet is een volger van Piaget. Hij heeft de theorieën van Piaget verder verfijnd. Daartoe heeft hij als enige ontwikkelingspsycholoog in Nederland de ontwikkeling van 28 kinderen vanaf hun geboorte, langdurig en nauwgezet gevolgd en in kaart gebracht. In de periode tussen drie en achteneenhalf jaar. onderscheidt hij 4 fasen (Vervaet, 2007). Elke fase geeft aan waar een kind toe in staat is m.b.t. leren. In mijn ontwerp stem ik mijn doelen af op de mogelijkheden tot leren die het kind heeft in de kleuterperiode.
Met betrekking tot de muziek ga ik uiteraard uit van kleutermuziek. Elk kind wordt met muzikale gaven geboren. Muzikale zeggingskracht en het reageren op muziek is al vanaf de geboorte aanwezig (Young, 2009). Muziek bestaat uit drie elementen te weten: ritme, melodie en harmonie. Bij muziek voor kleuters gaat het vooral om melodie en ritme. Pas in een later ontwikkelingsstadium is een kind gevoelig voor de toepasbaarheid van harmonie (Langelaar, 1972). Het is bij een kleuterlied van belang dat tekst, ritme, melodie, spelvorm, tempo en toonsoort één geheel vormen. Een kleuterlied is syllabisch dat wil zeggen dat iedere lettergreep een toon krijgt. Verder is een kleuterlied ritmisch, dynamisch, heeft het veel herhaling en korte zinnen en eindigt het in een climax (Young, 2009).
2.WAAROM DEZE INTEGRATIE ?
Muziek en taal zijn sterk met elkaar verbonden (van der Steen, 2009). Voordat een kind “echte woorden” gaat zeggen, oefent het met klanken, het zogenaamde vocaliseren (Schaerlaekens & Gillis, 1987). Wie goed luistert, hoort hoe een baby al speelt met de klanken door variatie aan te brengen in toonhoogte, tempo en de klanken zelf. Muzikaliteit is net zoals het vermogen tot spreken aangeboren. Door met kinderen te zingen worden de spraak- en taalontwikkeling gestimuleerd. Daarnaast wordt de motoriek geoefend en is het een goede training voor het geheugen en de concentratie. Zingen is voor kinderen net zo’n natuurlijk gegeven als spreken. Beiden gebeuren vanuit een sterke intrinsieke motivatie. Het is het voor mij een logische stap om beide kennisgebieden te integreren. Door middel van het zingen wordt de natuurlijke manier waarop kinderen leren gestimuleerd en sluit ik aan op de belevingswereld en het spel van het kind. Een andere reden om de muziek als kennisgebied te integreren is het feit dat beiden, fonologische ontwikkeling en zang/muziek via het gehoor gaan. Door te zingen is het kind al met de oren bezig en dit maakt dat het oefenen van het fonologisch vermogen een eenrichtingsproces blijft. Hiermee wordt meteen het derde kennisgebied geïntegreerd in mijn ontwerp: De ontwikkelingspsychologische visie. Dit kennisgebied betrek ik bij mijn ontwerp om de inhoud en de manier van aanbieden te bepalen. Aan de hand van de ontwikkelingspsychologische visie van Vervaet stel ik vast waar het kind aan toe is met betrekking tot leren. Kinderen in de leeftijd tussen vier-en-een-half en zes-en-een-half jaar bevinden zich in de fase 13 (Vervaet, 2007). Deze leeftijdfase kenmerkt zich door het feit dat kinderen loskomen van het concreet feitelijke. Doordat het kind los komt van het concreet feitelijke kan het nu abstract logische verbanden gaan leggen. Het kan nu zien dat het woord ‘reus’ kleiner is dan het woord ‘kabouter’. Voorheen kon het kind dit niet omdat het vast bleef houden aan het, concreet- feitelijke, ‘beeld kabouter’ dat immers kleiner is dan het ‘beeld reus’. Vervaet noemt deze abstract-logische verbanden relaties (Vervaet, 2007, pag. 101). Als we even een uitstapje maken naar de fonologie dan zien we dat tijdens het aanvankelijk leesproces een kind een hoge graat van abstractie nodig heeft om een geluidsstroom in klanken te kunnen segmenteren (van Dort-Slijper, 1998).
Het grote verschil tussen fase 13 en 14 is dat deze relaties in fase 13 niet omkeerbaar zijn terwijl in fase 14 deze relaties wel omkeerbaar zijn. De niet-omkeerbare relaties van fase 13 zijn als een straat met eenrichtingsverkeer. Het kind kan als het ware alleen vooruit denken. Het kan het proces nog niet omdraaien of tussen twee processen heen en weer gaan. Door aanspraak te blijven maken op het gehoor wordt aan dit eenrichtingsproces tegemoet gekomen, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een werkblad waar het kind tussen verschillende processen moet schakelen. Hierdoor kan de aandacht en concentratie volledig gefocust blijven op de oefening an sich. Bovendien wordt zo het werkgeheugen minder belast en blijft er meer ruimte beschikbaar voor het fonologisch proces.
Met betrekking tot integratie van de verschillende kennisgebieden valt ook nog op te merken dat er een overeenkomst te zien is tussen de kennisgebieden spraakontwikkeling en ontwikkelingspsychologie. Beiden gaan uit van een fasegewijze ontwikkeling. Ontwikkeling vindt niet van het ene op het ander moment plaats maar binnen een bepaalde bandbreedte. De grenzen die worden aangegeven fungeren slechts als ruwe gemiddelden, wel is er sprake van een hiërarchische structuur. De volgorde van de verschillende stadia ligt vast; er kan geen stadium worden overgeslagen.
3. BRONNEN
Braams, T. & Bosman, A.M.T. (2000) Fonologische vaardigheden, geletterdheid en lees- en spellingsinstructie. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 39, 199-211
Dort-Sloten van, M.K. (1998) Inleiding in de fonologie van het Nederlands en de raakvlakken van fonologie en spelling, Universiteit van Amsterdam
Schaerlaekens,A.M., Gillis, S. (1987), De taalverwerving van het kind,Wolters-Noordhof ,Groningen, 104-159
Langelaar, A. (1972), 50 kleuterliedjes en een aantal sinterklaasliedjes, Muusses, Prumerend, 3-8
Steen van der, W.J. (2009), Muziek: in het lijf geschreven, http://www.zielenknijper.nl/muziek-in-het-lijf-geschreven.html
Vervaet, E. (2007), Naar School, psychologie van 3-8, Ambo, Amsterdam
Young S. (2009), Music with young children, http://www.conservatoriumvanamsterdam.nl/fileadmin/download/ahk/Lectoraten/Kunst-_en_cultuureducatie/PPT_Susan_Young.pdf
Geen opmerkingen:
Een reactie posten